Die laatste week voor de vakantie

Afbeelding
Foto: ERIK VEENSTRA
Maria’s Mooie Mensen maria's mooie mensen

Vakantie, onze dames kunnen er ernstig aan toe zijn. Zo’n laatste week gaat alles met steunen en kreunen en een flinke lading tegenzin. Opstaan doet zelfs de jongste niet meer met plezier. Van bed naar bed loop ik elke ochtend te leuren: tijd om eruit te komen. Hardop tel ik af: nog maar vier keer/drie keer… tot de vakantie. Mijn geheime wapen genaamd Fien haalt ook maar weinig uit. Dit katje wordt gretig op bed getrokken, maar ze verleiden eruit te stappen als dit poezenbeest weg loopt, lukt niet. Aankleden is opeens een ramp; niks zit meer naar het zin zo’n laatste week. Ontbijten gaat stelselmatig te langzaam, want het moet wel goed duidelijk zijn dat dit de laatste week voor de vakantie is en dat ze er echt geen zin meer in hebben. Zuchtend zie ik het aan, tot tien tellen wordt mijn tweede natuur. In de badkamer wordt er steevast ruzie gemaakt. Hoewel ze uit voorzorg allemaal een eigen haarborstel hebben, zijn er juist nu drie zoek en moeten ze het met dezelfde doen. Tandpasta staat net aan de verkeerde kant; uiteraard morsen ze de met moeite uitgekozen outfit nog eens onder het witte schuim. Onredelijkheid viert hoogtij. Schoenen worden vlak voor we weg moeten opeens uitgebreid gepoetst en zo’n klusje móet dan afgerond worden, ongeacht of moeders op hete kolen zit of niet. Oudste dochterlief moet van mij minimaal twee keer per week op die fiets de deur uit, maar rekt het moment van weggaan net zo lang tot het bijna niet meer kan. Zuchtend en met de muts net nog niet over de ogen pakt ze dan toch haar stalen ros. Mijn ‘veel plezier’ wordt niet beantwoord. Het andere duo maakt nog even ruzie over wie er aan de beurt is voorin te zitten en laat en passant een gymtas slingeren. Eenmaal aan het schoolplein slentert het spul zonder doei of dag weg. Of oudste dochterlief merkt nog op dat de hekken om het plein toch echt insinueren dat dit een gevangenis is. De vraag waarom ik ze toch telkens zó vroeg – of überhaupt - aflever, laat ik van mijn kant maar even onbeantwoord. De middagen verlopen weinig anders. Het spul slentert de school uit waarbij de tweelingzusjes niet afgeronde ruzietjes van de dag nog even dunnetjes over doen. De schermhonger is groot en mijn verzoek iets ‘nuttigs’ te doen met de middag wordt met blikken die kunnen doden beantwoord. Voor vaste sporten zijn ze te moe – ‘meld me maar af’ – en oefenen voor muziek gaat in slakkentempo. De tien minuten die hieraan moeten besteden, vullen ze simpelweg met het klaarzetten van instrument en boeken. Douchen is dikke onzin in zo’n week, de door mij gemaakte maaltijd is altijd vies. En dan denk je dat ze wat extra slaap kunnen gebruiken, maar op bed gaan ho maar. Als ik na een half uur rondbonkende voetstappen boven mijn hoofd verhaal kom halen, wijzen de tweelingzusjes stelselmatig naar elkaar – ‘zij leidt me af’ – en zegt oudste dochterlief verstandig alleen maar: ‘oepsie’. Als die vakantie eindelijk aanbreekt, is het de vraag wie er eigenlijk het meest aan toe is.

UIT DE KRANT