In bubbeltjesplastic of in een doosje

Het was paniek in huis vorige week. Op een veel te drukke deadlinedag was ik thuis als een malle bezig om alle losse eindjes weg te werken, toen de tijd me iets te snel wegtikte. Ik moest nog zorgen dat een van de dames op dansles kwam, dus riep ik naar boven dat haast geboden was, terwijl ikzelf nog een hoognodig en veel te lang opgehouden toiletbezoek inlaste. Eenmaal in de rust achter die toiletdeur bleef ik misschien net iets langer zitten dan nodig was. Toen de kinderen nog echt klein waren, deed ik dat ook weleens: even in alle rust op dat toilet bijkomen. Mijn rust werd deze dag echter ruw verstoord. Gegiebel boven eindigde met een harde bonk en veel gegil. En ja, dan moet je als moeder eerst nog weer die broek ophijsen voor je kan kijken of je kind wat gebroken heeft of erger. Mijn dames hebben één groot manco in dit soort gevallen: niemand kan mij op zo’n moment vertellen wát er nou precies gebeurd is. Ik zie een kind dat hard gilt en met een mega ei op haar hoofd, maar de rest taait geschrokken af. Zelf kan ze niet anders dan gillen, dus eerst duik ik maar de vriezer in voor ijs. In alle stress en spanning beginnen we naar elkaar te roepen en de paniek is compleet als de tijd richting de allerlaatste danstraining voor de grote eindshow dat weekend wegtikt. Tot op de dag van vandaag is er niemand die bij mij exact kan vertellen wat er nou gebeurde. Iets met een onverwachte dansbeweging en sokken op een gladde vloer. Die danstraining werd niks, al was ze wel zo dapper om met haar ei en blauwe hoofd nog voor een foto te poseren. Met de belofte dat make-up op de avond zelf wonderen zou doen, kwamen we de week door. Elke dag controleerde ze angstvallig hoe blauw haar hoofd nog was en of de zwelling al afnam. Zelf maakte ik me vooral druk over hoofdpijn of misselijkheid. Gelukkig leken we er – voor de zoveelste keer – met een sisser af te komen. Onze jongste dochter noemen we binnenshuis ook weleens ‘brekebeen’. Het is wonderlijk genoeg altijd dezelfde die onderuit gaat. Echt iets breken, deed ze gelukkig nog nooit. Maar die laatste weken voor de zomervakantie en ons vertrek richting Italië zou ik haar het liefst in bubbeltjesplastic hullen. Naast brekebeen noem ik haar nog altijd ‘kleintje’. Eenmaal op die eindshow werd ik weer even met de neus op de feiten gedrukt dat die tijd eindig is. Met haar lange benen torende ze boven haar groepje uit. Van de blauwe plek was op afstand in elk geval niks te zien. Van haar inzet en dansmoves des te meer. Dolgelukkig dat ze zo kon stralen, sloot ik haar na afloop in de armen. ‘Fantastisch gedaan, kleintje!’, zei ik, terwijl ik met pijn in het hart constateerde dat ze amper een kop met me scheelt inmiddels. In plaats van bubbeltjesplastic zou ik haar heel soms in een doosje willen bewaren.



