‘Goed gedaan!’

Afbeelding
Foto: ERIK VEENSTRA
Maria’s Mooie Mensen maria's mooie mensen

Afgelopen week was ik tweemaal op een afscheid. Tweemaal compleet met handen schudden, cadeaus en borrelen. Van bitterbal tot wijntje en van bekende naar oude bekende. Dikke onzin, hoor ik u misschien denken, en misschien vond ik dat vooraf ook wel. Toch zag ik ook wat anders tijdens deze twee gelegenheden en dat was waardering. Waardering die in beide gevallen wellicht nooit werd uitgesproken vóór het afscheid, maar wel heel mooi klonk tijdens. Er werden herinneringen opgehaald, anekdotes klonken opnieuw en wensen voor de toekomst werden voorzichtig geformuleerd. Zo hoopt oud-wethouder Bert Nederveen stiekem als vergaderdier dat hij nog ergens twee dagen in de week weer mag meevergaderen. Eerst moet de camper uit de stalling, want waar kijkt iemand die zich 28 jaar inzette in de lokale politiek naar uit? Naar Prinsjesdag, om de landelijke kopstukken eens te spotten. Zijn dankwoord voelde ‘alsof ik al overleden ben en nu het dankwoord mag spreken op mijn begrafenis.’ Hoe mooi ook een afscheid, het is loslaten. En ook al komen daar nieuwe mooie mogelijkheden voor terug - zoals alle tijd voor de beestenboel, daar vinden wij elkaar wel - je laat ook veel achter. Jacob Frölich, oud-directeur van Theater en Cinema de Winsinghhof, bewaarde de ‘sterke verhalen’ voor het besloten diner zonder pers. Wél liet hij weten zonder De Winsinghhof nooit de stap te zetten die hij nu doet richting het nieuw te realiseren Huis van Cultuur en Bestuur in Delfzijl. ‘Ik zit daar nu zelfverzekerd en stap het met vertrouwen tegemoet, alleen maar door alles wat ik hier aan ervaring heb opgedaan.’ Als bezoeker is zo’n moment ergens ook gek: moet je teneergeslagen doen omdat iemand gaat of blij omdat je hem het beste gunt? Hoe gezellig wordt zo’n bijeenkomst en vooral: hoe zeg je gedag? Dat we allemaal bezig zijn met waardering op zo’n moment, bleek wel uit het gesprek dat ik voerde en dat uitliep op de Koninklijke Onderscheidingen. ‘Zou jij die dan accepteren?’, vroeg één van de aanwezigen die stellig verkondigde nooit een dergelijke onderscheiding in ontvangst te willen nemen. ‘Wat weet die koning er nou van wat ik allemaal doe?’ was de redenering. Zelf zie ik het anders: degenen die je opgeeft, weten dat wel. En hoe mooi is het als zij dat bijzonder genoeg vinden om het aan de koning te melden? Of ik ooit serieus over deze vraag na hoef te denken, verwacht ik niet. Het runnen van een krantenuitgeverij is zo druk dat ik niet veel verder kom dan sporadisch een handje helpen bij een atletiekwedstrijd van mijn dochter. Die waardering voor wat we voor elkaar doen en betekenen, die mogen we eigenlijk best wat vaker uiten. Zaterdag vertelde ik een verbaasde harker bij het verspringen dat hij goed bezig was. Want zoals Bert Nederveen zei: ‘We hebben wel steeds meer kritiek op elkaar. Wie wil dit over een paar jaar nog doen?’

UIT DE KRANT