Joost de Vries (22) is beroepsvisser: ‘Als je bang bent, moet je geen visser worden’

ZOUTKAMP - Hoge golven, zilte lucht en een net vol garnalen: De tweeëntwintigjarige beroepsvisser Joost de Vries ziet niets liever. Hij is vanaf zijn vijftiende al aan boord van verschillende kotters te vinden en vaart nu als matroos door de wateren van de Noordzee. ‘Er is niks mooiers dan vissen’, zegt hij met een lach.
Toch wilde De Vries vroeger niks weten van de visserij. ‘Ik wilde eigenlijk altijd boer worden. Ik heb stage gelopen op een koeienboerderij hier in de buurt. Ik vond het prachtig.’ Hij stopte daarom op zijn veertiende met school om te kunnen werken op de boerderij. Dan komt hij terecht bij een andere boer, alleen klikt het niet echt tussen de twee. ‘Ik vond het echt niet leuk meer, maar ik moest mijn geld natuurlijk verdienen. Mijn broer was visser en ik had ook een jongen in mijn voetbalteam die altijd aan het vissen was. Toen heb ik hem gevraagd of ik een keertje mee kon om te kijken of ik het leuk zou vinden.’
De toen vijftienjarige Zoutkamper mocht mee en dat zorgde toch voor wat spanning. ‘Ik dacht dat vissen niks voor mij was, omdat ik altijd al zeeziek ben geweest. Dat was die eerste keer ook zo. Ik ben toen heel erg ziek geworden. Maar het vissen zelf vond ik geweldig.’ Onder het mom van een stage, gaat hij vanaf dat moment elke week mee de zee op. Op zijn achttiende besluit hij een opleiding tot matroos te volgen in Urk en twee jaar daarna kan hij dan als volwaardig matroos mee.
Nu is De Vries bijna elke week van zondagnacht tot aan vrijdagochtend op zee. Het vissen op garnalen gaat vierentwintig uur per dag door. De schipper vaart de garnalenkotter naar de visgronden en dan begint het ‘sleepje’, vertelt hij. ‘Wij brengen de netten op de bodem en dan varen we rondjes. Stel je doet dat twee uur lang, dan gaan na die tijd de netten weer omhoog. De garnalen, die dan hopelijk gevangen zijn, gaan in een grote bak en de netten gooien we gelijk weer terug het water in. Dan begint het voor mij. De garnalen gaan door een zeef en moeten verwerkt worden.’
Slapen moet tussen deze ‘sleepjes’ door gebeuren, legt De Vries uit. ‘Stel je hebt zestig kilo garnalen om te verwerken, dan duurt dat ongeveer een half uur tot veertig minuten. Dan kan ik daarna naar binnen gaan en even gaan liggen totdat de netten weer omhoog komen. Meestal is dat dus een uurtje per keer. Je moet het zo zien: hoe meer ik aan dek sta, hoe meer we hebben gevangen en hoe meer ik dus verdien. Dus ik hoop meestal dat ik heel weinig slaap’, voegt hij lachend toe.
Als er slecht weer wordt voorspeld, vaart de ZK14 niet uit. Toch gebeurt het soms dat het schip al op zee is als er een verkeerde wind opsteekt. ‘Dan varen we gewoon door’, zegt De Vries. ‘Hoge golven horen er een beetje bij. Als je bang bent, moet je geen visser worden. Het is een gevaarlijk beroep. Als je overboord raakt met slecht weer, dan overleef je dat niet. Voordat ze je dan weer hebben gevonden en je aan boord hebben gehaald, is het vaak te laat.’
Over het leukste van vissen, hoeft De Vries niet lang na te denken. ‘Ik vind de vrijheid op zee het fijnst. Je hebt niet te veel mensen om je heen en je kan lekker je eigen ding doen. Ik hou ook van de wisselvalligheid. Elke keer als zo’n net omhoog komt is het maar de vraag wat erin zit. Hoeveel zit erin, zitten er ook vissen bij, alles is zo anders. Daarom vind ik vissen fantastisch mooi.’
Bij de toekomst van de beroepsvisserij staan de laatste jaren steeds meer vraagtekens. De brandstofprijzen schieten omhoog en milieuorganisaties strijden tegen de commerciële visserij. ‘Ik geloof dat vissen altijd blijft bestaan’, begint De Vries. ‘Maar ik denk dat er wel weer wat schepen weg zullen vallen. Je weet nooit hoe het loopt, maar ik hoop dat ik over tien jaar nog steeds kan vissen. Ik durf er niet eens over na te denken als het niet meer zou bestaan. Ik wil gewoon vissen.’



