Acht streekverhalen uit acht dorpen

STREEK - De dagen zijn donker en kort, het ideale moment om verhalen te vertellen aan elkaar. De Streekkrant vroeg acht mensen uit het gebied te vertellen wat hun dorp bijzonder maakt. Het mogen verhalen uit het verleden, heden of juist de toekomst zijn, zolang hun unieke woonplaats centraal staat.
Geertje Dijkstra - Jacobi; Grijpskerk
Samen met mijn hond Bijke loop ik elke avond rondom het dorp Grijpskerk. De ene keer een ommetje door de straten, soms een rondje door sportpark De Enk, of een wandeling in het NAM-park. Met name in de wintermaanden en de donkere dagen voor kerst kom je bijna niemand tegen. Gordijnen zijn gesloten. Geen praatje hier en daar. Het is donker, het is koud en de laatste tijd ook nog eens volop regen. Soms vliegen allerlei gedachten door je hoofd. Wat maakt Grijpskerk ook alweer bijzonder en waarom ben ik hier ooit gaan wonen? Grijpskerk is een voorzieningendorp en heeft altijd een regionale functie gehad voor inwoners van Niezijl, Kommerzijl, Visvliet, Pieterzijl, Lauwerzijl, maar ook voor inwoners van de Friese kant zoals Munnekezijl en Warfstermolen. Een ieder kan gebruik maken van één van de twee basisscholen, de middelbare school, de supermarkt, de slager, de bakker, de boekhandel, de bloemist, verenigingen, het bedrijventerrein en ook in de zomermaanden van het zwembad. Ik ben geboren en getogen in Warfstermolen en ja … ook ik was daardoor in mijn jeugd veel te vinden in Grijpskerk. Destijds in mijn ogen een “heel groot” dorp. Als klein meisje heb ik mijn zwemdiploma’s in zwembad de Griffioen behaald. Samen met andere kinderen werden we gebracht en gehaald. Mijn moeder ging dan ondertussen boodschappen halen bij de Spar aan de Jonkerslaan. Later moest ik voor mijn studie eerst op de fiets naar Grijpskerk, want van daaruit ging de GADO-bus, lijn 37 naar Groningen. Bushalte De Wierde, of bushalte Kievitsweg. En natuurlijk was er in het weekend discotheek La Danza “the place to be”. Een grote plus voor het dorp Grijpskerk is dat het gunstig ligt tussen Leeuwarden en Groningen, voor zowel de auto, de fiets en prachtig aan het spoor. Maar waar is de bus gebleven? Waar zijn vele winkels gebleven? De discotheek is weg…Tijden veranderen. Het is prijzenswaardig dat er inwoners zijn die de schouders eronder zetten om gezelligheid, reuring en saamhorigheid voor jong en oud te brengen. Ieder jaar wordt er door Stichting Oosterkade Groep in samenwerking met onder andere de Kindervakantie Spelweek een lichtweek met veel activiteiten georganiseerd. Dit jaar ook in- en rond de Dorpskerk aan het Kerkplein. Eveneens wordt er in deze tijd een kerst(wens)boom op De Poel geplaatst. In deze kerstboom mag iedereen een wens, een gedichtje, een berichtje, of droom hangen, of een kaarsje aansteken. Een práchtig initiatief. Door de sfeervolle uitstraling van de kerstverlichting in tuinen en straten wordt het rondje wandelen tot het einde van dit jaar samen met mijn hond Bijke weer een stralend feestje … Samen op weg naar een fijne kerst! Grijpskerk twinkelt! Ik wens u fijne feestdagen en veel voorspoed, liefde en geluk in het nieuwe jaar!
![]()
Foto door: Henk Veenstra
Sander Blom; Aduard
In januari 2019 kwam ik in Aduard te wonen. Mijn oog was op het dorp gevallen in een zoektocht naar een woonplek op fietsafstand van de stad, maar met de rust, gezelligheid en het karakter van een dorp. En wat mij direct aansprak: de rijke historie van Aduard, die je nog op vele plekken in het dorp voelt of ziet.
Van de Abdijkerk (voormalig ziekenzaal van het klooster) tot het Kloostermuseum. Van het water in De Lindt – ooit de toegang tot de haven van Aduard – tot de diverse gebouwen die met hergebruikte kloostermoppen zijn opgebouwd; je proeft de geschiedenis overal. En dat terwijl hier tot de 12e eeuw niets anders te vinden was dan ongerepte natuur.
In die jaren was de cisterciënzer kloosterorde de belangrijkste die er bestond. In Friesland hadden zij een klooster in de buurt van Dokkum en op een dag besloot een groep monniken eropuit te trekken. Toen ze verder naar het oosten bij een verlaten wierde lichtende verschijnselen zagen, besloten ze ook daar een klooster te stichten.
In 1192 werd het Aduarder klooster officieel opgericht. Het groeide in rap tempo uit tot het grootste klooster van Groningen met zo’n honderd monniken en meer dan vijfhonderd lekenbroeders. Niet alleen verscheen er een indrukwekkend kloostercomplex, ook groeven de lekenbroeders het Aduarderdiep naar het Reitdiep uit en legden ze de sluizen bij Aduarderzijl aan. Er verrezen steenbakkerijen, boerderijen, een kloosterschool en diverse voorwerken. Ook ontstond er een levendige handel met andere dorpen en steden, waarvoor zelfs een eigen vloot in het leven werd geroepen.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd Aduard in 1580 ingenomen door Staatse troepen. Als gevolg van de inname en de reformatie werd in de daaropvolgende jaren vrijwel het gehele kloostercomplex gesloopt. De stenen werden onder andere gebruikt voor het bouwen van de Kranepoort, een van de stadspoorten van Groningen.
De geschiedenis van Aduard fascineerde mij zo dat ik in 2022 een historische thriller schreef die de bijzondere historie van het klooster (en enkele spannende verhalen die daarmee verbonden zijn) behandelt: Heilige Grond. Het is als het ware een eerbetoon aan een fantastische plek om te wonen; een dorp dat gebouwd is op de ruïnes van een formidabel klooster.
![]()
Linda de Klein; Gerkesklooster-Stroobos
Ooit lag Stroobos, de ene helft van het tweelingdorp, deels in Friesland, deels in Groningen, tegenwoordig is alles Fries.
Voor mij was (en is) het contrast altijd bijzonder, Gerkesklooster met de tot kerk gepromoveerde, of gedegradeerde, het is maar net hoe je het bekijkt, voormalige kloosterbierbrouwerij, de vaart en landerijen, Stroobos meer het ‘zakendistrict’, winkels, fabrieken, de werf en de watercamping.
Een tweede kerk, met fraaie glas-in-loodramen, netjes - min of meer - in ’t midden.
Die bedrijvigheid is nauwelijks aan te ontkomen in de Mieden, hoewel het gehamer en de sirene van de werf inmiddels verleden tijd zijn, evenals helaas het meemaken van de tewaterlating van een schip. En de natte pakken die toeschouwers eraan over hielden omdat ze er te dicht op stonden, wat voor veel hilariteit zorgde.
Ik woon zelf al bijna veertig jaar in Stroobos, alhoewel ín niet het juiste woord is. Ik woon in de Mieden onder Stroobos, sinds 2014 met man Jan.
Een open landschap, zo open dat je bijna vanaf elk punt de containerschepen voorbij kunt zien varen in de verte.
En een prachtig gebied, voornamelijk weilanden, met koeien, schapen en paarden, en veel vogels. Het vee vooral hobby, de meeste boeren zijn gestopt en een groot deel van het land is inmiddels natuurgebied. De vogels trekken veel ‘spotters’, geen wonder, met die enorme variatie aan weide- en watervogels, van ooievaars tot aan ijsvogels en alles wat daar tussenin zit, het is een echt vogelparadijs.
Toen we hier kwamen waren de sloten dood door alle mest en andere vervuiling, maar na een paar jaar, en de juiste maatregelen hoorden we ineens weer kikkers, en als je nu ’s zomers ’s avonds buiten gaat staan hoor je rondom een oorverdovend kikkerconcert, een geweldige ervaring.
Er is me verteld dat de vogels nog steeds een slap aftreksel zijn van wat er vroeger rondvloog en -zwom. Dat was in een tijd dat het ’s winters nog regelmatig stevig vroor en kinderen al schaatsend naar school gingen, een dorp verderop. Er stonden toen ook meer huizen, wâldhúskes, voor de boerenarbeiders.
Er is door de jaren heen, vooral de laatste tien jaar, aardig wat verloop geweest hier, de ouderen hebben vaak plaatsgemaakt voor jonge mensen, al dan niet met kinderen, en menig oude en niet meer aan de moderne eisen voldoende woning of boerderij heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouw. De mensen hier zijn echter nog steeds als vanouds vriendelijk, behulpzaam, gemeenschapsgezind, en verwelkomen nieuwkomers met open armen in hun midden.
Het plaatsen van de pannen op ons - destijds - nieuwe dak bijvoorbeeld, was een echte buurtactiviteit.
Dat er een mengelmoes van talen: Fries, Gronings en Westerkwartiers gesproken wordt, maakt niet uit, je begrijpt mekaar toch wel.
![]()
Aafke Hoek; Grootegast
t Is licht ien Grootegast. Nog nooit zag ik zo vroeg de kerstverlichting branden. Overal stoan de grote verlichte bomen en arrensleeën al ien e tuun en de eerste kerstbomen stonden der al veur Sint Martinus . t Is net of er elk joar meer verlichting bij komt. Ien et tuuncentrum is de kerstsprookjeswereld aal vroeger en uutgebreider. Op de één of ander manier hemmen de minsen behoefte aan warmte en gezellegheid. Zol dat nou kommen omdat de wereld er zo donker uutzigt? Vrede is ver te zuken.
Woar ik aan wennen most toen we bijna veerteg joar leden ien Grootegast kwammen te wonen was dat je altied argens bij heuren mosten. Ien mien geboorte dörp dee je van alles soamen want je hadden mekoar neudeg. t Moek niet uut van welke club je wadden. Ien Grootegast was dat meer òfboakend. Eigen koor, eigen kerk, eigen muziek, eigen toneel. Gelukkeg verandert dat en worden de grenzen al wat meer oprekt en doen ze veul meer soamen. De olle patronen verdwienen.
As verhoalenverteller kom je bij elke club. En juust met de kerst ben je voak op stap. Bij kerstwandelingen, ien verzörgingshuzen, bij n vrouwenvereniging, bij n kerstviering. Voak kom je dan noa een verhoal wat meer ien gesprek en delen de minsen herinneringen en ervoaringen.
En hoe verschillend de minsen ok tegen de wereld aan kieken en hoe ze ok verschillen van politieke kleur, met dat kerstlicht worden de scharpe kantjes wat minder. De minsen lustern wat beter noar mekoar en binnen gewoon wat oardeger veur mekoar.
We zien de leste joaren dat de kerstbomen niet allinneg eerder ien huus stoan mor ok langer ien t nije joar stoan blieven. Juust om et licht vast te holden.
As dat nou helpen zol om de minsen verdroagzoamer te moaken dan maggen ze wat mij betreft een hiel joar stoan blieven. En niet allinneg ien Grootegast!
![]()
Kees Langejan; Garnwerd
Ga toch zitten op het bankje en bezie de overkant
een dorpje aan het water, achter dijk en boomaanplant
Niets bijzonders zou je denken, duizend in een heel dozijn,
maar kijk eens goed dan zie je, hoe iets zichzelf kan zijn
Voor de dijk de strandjes, de terrassen, het vertier
de haven vol met bootjes, het geklots van de rivier
En voor de dijk de steigers, de kades voor het lossen
de vaste bootbewoners, hun woonstee in de trossen
Op de dijk de molen en de baan voor jeu de boules
Hoor de ballen ketsen in het hete strijdgewoel
En op de dijk, kom eten, het statig Hammingh-pand
geflankt door brugwachtwoning en het huisje dat zich klampt
Maar achter de dijk het dorpje, de kronkel-Hunzeweg,
de huisjes met hun tuinen, de haag en de buxusheg
Achter de dijk het leven, van nu en alledag,
de kerk, de school, de straatjes, de stokrozen en hun lach
Achter de dijk de mensen, die hun eigen gangen gaan,
op zoek naar kleur en ruimte, naar gort en gerst en graan
Achter de dijk woont Garnwerd, met zijn eigen lief en leed,
Al eeuwenlang hetzelfde, slechts door de tijd bekleed
![]()
Harm de Jonge; Boerakker
In de tijd dat er nog een benzinepomp en glazen telefooncel in Boerakker waren kwam ik in het dorp te wonen. In een mooie uithoek vol stilte. Op een oude kaart las ik dat het er de Bevervallei heette. Bevers waren er niet meer, maar bij de ombouw naar natuurgebied met wandelpaden bedacht een Dijkwegbewoner voor het aangrenzend gebied de naam Ottervallei. En nog voor de uitkijktoren klaar was, werd de eerste otter er gesignaleerd.
Intrigerend vond ik als taaldocent direct de naamgevingen. Van waar komt de naam Boerakker? En dan al die andere wonderlijke namen: De Jammer, Bakkerom, Schilligepad. Met even over de grens ook nog de Kuzemer, omdat de Kuise Maria daar vroeger waakte over de nonnen in het klooster.
Weliswaar hoorde of hoort Boerakker tot de kleine gasvelden waar de gaskraan niet dicht gedraaid werd en hebben we te maken met bodemdaling. Maar het wonen in een bijzonder dorp maakt wat goed. Bovendien is het een dorp met veel activiteiten. Dorpsfeesten zijn niet zeldzaam en elk jaar kun je over sloten springen en door bomen klimmen bij de Survivalrun.
In het nieuwe wandelgebied in de Bevervallei passeren er op zonnige dagen veel wandelaars. Soms wagen ze een praatje en krijg ik agrarische adviezen. En als een schrijver wil leren hoe je een kettingzaag slijpt, is er ook altijd een verre buurman weer dichtbij. Net zo spontaan als de buurman die tijdens de buurtborrel met een flesje het geluid van de roerdomp kan nadoen.
Ieder die het wil horen vertel ik als tegenprestatie meestal dat een verhaal/boek meer is dan een poging om in slaap te vallen. Wat je in de fantasie van het boek beleeft voel je als de werkelijkheid. Je identificeert je in de verhaalpersoon en zijn situatie. Zo kan lezen zelfs lichamelijke of geestelijke problemen oplossen. Los daarvan: bij de decembermaand hoort huiselijkheid en daarmee het lezen en voorlezen. Er zullen dus vast weer dorpelingen zijn die het oude kerstverhaal van Dickens over de vrekkige Scrooge weer opzoeken. En zo duikt bij mij in december het verre verleden weer op en komt de kerstviering op school in beeld. Juf Stubbe zong Stille Nacht, de meester vertelde van herders en een kindje in de stal; wij dronken chocolademelk en kregen een boek. Ik heb het nog altijd: mijn eerste boek! Ik ga het deze maand maar weer eens lezen.
![]()
Ingeborg Nienhuis; Zoutkamp
Voor mij is het eenvoudig om het dorp waarin ik opgroeide te romantiseren: ik had een opperbeste kindertijd. Met mijn ouders en zus woonden we in een vrijstaand huis tegen een cultuurbos in een verkeersluwe, kinderrijke straat. Rond ons huis wemelde het van de dieren en in het bos en langs het water bouwden we hutten en speelden we. Drie van mijn buurtkinderen waren tevens klasgenoten, dus er was altijd iemand om mee naar zwemles te gaan, te voetballen en de overstap naar de middelbare school te maken. Dat ze alle drie jongens waren, daar konden ze destijds niks aan doen.
Volgens sommigen mag dit traag ogen, maar ons tempo lag juist hoog. Op de kop hangend suisden we van de hoge kabelbaan in de speeltuin, in volle galop spurtte ik met mijn paardje rond het Spookbos, jongens voeren met motorbootjes over het Reitdiep en kinderen sprongen op en van kippers graan achter tractors die op weg waren naar de weegbrug. Het waren de donkere jaren tachtig en negentig: dat moest maar kunnen.
Het dorp waarin ik opgroeide had een ruig imago, daar werd ik me telkens meer van bewust. Toen ik zes was werd onze kinderpony uit zijn stalletje geroofd en meegesleurd een café in. Voor sommige klasgenootjes was een liefdevolle band met ouders geen vanzelfsprekendheid. Meerdere goedlopende kroegen telde ons dorpscentrum, en er kon stevig geknokt worden. Dat zou te maken hebben met de verre geschiedenis: ergens in de middeleeuwen ontstond de vesting Solte Campe, en tegen de tijd dat de naam van dit onherbergzame oord aan het water eens in de annalen opdook, was het 1418.
Na verloop van tijd realiseerde ik me hoe bijzonder de subcultuur van jonge garnalenvissers is, en de hele cultus daaromheen. Hoe er een collectieve allergie heerst voor kapsones en poeha. Hoe zuiver het Gronings klinkt. Hoe mooi de haven is opgeknapt. Hoe uniek het Sinterklaaslopen. Zwanger van mijn derde kind schreef ik daar met veel plezier een roman over, die als inspiratie diende voor een korte film.
Van een afstandje bezien worden veel fraaie dingen nog net iets mooier. Nu ik net buiten Zoutkamp woon, er mijn kinderen naar school breng, naar mijn ouders wuif en de boodschappen haal, lijkt het dorp waarin ik opgroeide nog prachtiger dan ooit. Misschien is het de herinneringsvervalsing als gevolg van een gelukkige kindertijd.
![]()
Roel Postma; Doezum
De sneeuw lag dik op de weilanden rond Doezum, alsof de wereld was ingepakt in een witte, ijzige stilte. De mensen in het dorp hadden het zwaar. De oogst was mislukt, het hout bijna op, en kerst leek verder weg dan ooit.
In een klein huisje aan de rand van het dorp zat Anna met haar ouders rond de tafel. De tafel was leeg, de haard brandde slechts zwak. Anna keek met grote ogen naar haar moeder. “Mama, komt er morgen wel kerstfeest?” Haar stem klonk klein en hoopvol. Haar moeder keek weg om haar tranen te verbergen. “We zullen bidden,” fluisterde ze. “Misschien brengt God ons een wonder.”
Ondertussen dwaalde een oude man door de sneeuw. Zijn jas was versleten, zijn schoenen doorweekt. Bij elk huis klopte hij aan. “Hebt u iets voor een reiziger?” vroeg hij, maar overal kreeg hij hetzelfde antwoord: “We hebben niets, oude heer.”
Toen klopte hij bij Anna’s huis aan. Haar vader opende de deur en staarde verbaasd naar de vreemdeling. Zijn handen trilden. “Ik heb niets voor u,” zei hij. De man glimlachte. “Ik zoek alleen wat warmte.” Ondanks hun armoede lieten ze hem binnen. Anna’s moeder maakte een plek vrij bij het vuur en gaf hem hun laatste beker water.
De man keek om zich heen. “Jullie delen wat je niet hebt,” zei hij zacht. “Waarom?” Anna antwoordde: “Omdat Jezus ons heeft geleerd te geven, ook als het moeilijk is.”
De man knikte en stond op. “Wacht hier,” zei hij, en hij verdween in de sneeuwstorm.
Die nacht werd het gezin gewekt door een vreemd geluid buiten. Anna’s vader opende de deur en vond een slee vol manden: brood, kaas, gerookte worst, warme melk en dekens. Er was niemand te zien, behalve een heldere ster die boven het dorp scheen.
De volgende ochtend hoorden de buren van het wonder, en al snel stond het hele dorp bijeen. Alles werd gedeeld, en het kerstfeest werd gevierd met een warmte die niemand ooit had gevoeld. Voor het eerst in weken vulden lachende stemmen het dorp, en de geur van gebakken brood en warme melk hing in de lucht.
Anna keek die avond naar de ster die nog altijd boven Doezum straalde. “Mama,” fluisterde ze, “denk je dat die man door God is gestuurd?” Haar moeder keek haar aan, glimlachend door haar tranen heen. “Ja, lieverd,” zei ze zacht. “Soms stuurt God een engel op precies het juiste moment.”
Sindsdien brandt er in Doezum elk jaar met kerst een kaars in elk raam, als herinnering aan het wonder dat licht bracht in hun donkerste uur.



